karen . hoezee
Gejuich alom.Alles begon goed.
In het weekend gingen we feesten en genieten van literaire en muzikale hoogvliegers.
Vervolgens zou de week van start gaan met een gezellig optreden, met een gezellige jongen.
Meteen de volgende dag al kwam het langverwachte en ongetwijfeld onvergetelijke verkleedfestijn, alwaar, geheel in stijl met het personage, cava gedronken zou worden, cocaïne gesnoven (kunnen jullie het al raden) en met hoedjes gezwierd.
In het midden van de week organiseerde ik een lucratieve bezigheid, zowel op studievlak als wat betreft uitbreiding van het persoonlijk kennisgebied. Die zou ook weer niet te versmaden geweest zijn, waarbij vooral de afwezigen ongelijk kregen.
Op dat ogenblik waren we al bijna murw van al dat gefeest en al die vrolijkheid, en toen moest het échte feest nog beginnen, waarbij veel schmink niet kon ontbreken, in de enige echte hippe club (oja?). En tenslotte die laatste dag van de nieuwe week, alwaar oude gezichten weer nieuwe bekenden werden, en verwachtingen al dan niet zouden worden ingelost.
Niets van dit alles,
want in datzelfde eerste weekend werden alle toekomstdromen aan diggelen geslagen door enkele domme literaire aspiraties, en een teveel aan de ‘smoel-mentaliteit’.
Het kontje werd zichtbaar, en alles werd weer in het juiste perspectief gezet.
De week zou beginnen. We zouden lessen volgen, mensen ontmoeten en veel te weinig doen wat we zouden moeten doen.
en dat wij allemaal wel wilden.
Dat het een trieste zaak is, dat wist ik al langer.
Althans, ik had het moeten weten.
De vraag die zich hier stelt is: hoe dan?
Of was het zo dat een vraag nooit zichzelf stelt,
dat nooit deed, en dat ook nooit zal doen?
Ik wil wel. En hij wou wel.
Maar toen kwam er iets tussen al dat welwillende willen.
De afstand, vermoedelijk. En de afwezigheid,
die niet zo mensonterend is als eerst gedacht,
maar toch ook wel.
Het is een verhaal vol paradoxen. Geen ironie echter in deze historie,
enkel eerbare voorstellen, beloftes die misschien weinig om het lijf hadden,
maar gemaakt werden met een stem vervuld van eerlijkheid.
En toen wachtten wij. Wachten was het enige wat we nog konden.
Wachten is het enige wat we nog steeds doen.
aan het eind van de horizon
In mijn huis
wil ik HOOG zitten/wonen.
huizenhoog
of nog hoger
zodat ik over de huizen heen kan kijken
onbelemmerd
tot aan de einder
en verder
over de horizon
over de wereld
er ligt een verrekijker
om ver te kijken
en er is licht
heel veel licht
dat door de ramen naar binnen glijdt.
Ik wil witheid en glas en geen meubels
die de wanden verstikken
een zetel. een tafel.
wat stoelen
en de rust
stilte.
een stoel voor het raam
ik op de stoel, en de verrekijker
kijken, zwijgen, luisteren.
kijken, luisteren, schrijven.
kijken hoe de natte inkt opdroogt in het volle licht
van de zon.
dit is mijn huis.
een geur die ik herken.
boeken om te (her)lezen.
mijn leven. mijn stilte.
buiten wachten mensen, ontmoetingen, gesprekken.
binnen wacht het raam, de verrekijker.
de kamer der stilte.
hoog. huizenhoog.
het grote verlangen
Heimwee naar Alaska, alwaar ik het inzicht niet kreeg.
Of besefte ik het wel, maar liet ik het sluimeren,
tot Zweden, waar het ten volle tot uiting kwam?
Of neen, het kwam pas later.
Plots overvalt het je. ’s Nachts, bij voorkeur.
Of buiten. Of midden in een boek.
In eenzaamheid. Op een fiets.
Ik moet niet terug, wel elders heen.
Ik heb een zin.
Ik heb een traan.
Het ene heeft het andere niet opgeroepen, dat deed een lezer al.
Een voorlezer.
Der Vorleser
Ik kan niet sneller drinken dan ik slik.
De schoonheid in een dans. De kracht van een beweging.
begrijpt u dat? begrijpt u mij?
het is pas als ik mijn handen de vrijheid laat, dat de woorden op papier komen.
Vaak geloof ik het achteraf niet. Dit dacht ik niet, dit is niet ik, dit zijn niet de mijne.
Het lijkt alsof iemand anders de controle overneemt.
De woorden samenvoegt en zinnen vormt.
Ook nu valt de schemer over de ogen. En dat terwijl de ontroering _ het verdriet
alweer achter ons ligt.
Is dit mijn aard?
Is dit ieders aard, die slechts ontkend, tenietgedaan wordt door het alziend oog?
Mag men het, of moet men het?
Ik heb het over (h)erkenning.
En het feit dat niet iedereen erover wil praten. Zo bleek, tenminste.
Ik daarentegen, cultiveer het gegeven, weef er verhaaltjes rond
en klink vaak zieliger dan dat het toen was.
Het gevaar dat aan zinnen, woorden en weefgetouwen meer betekenis wordt gegeven
dan erin werd gelegd, oorspronkelijk, is reëel en kan tot gevaar leiden.
Al is gevaar in deze een woord dat verkeerd geparkeerd staat.
ik hou van dit vlaanderen. van dit oude. hoe het archief zo mooi bij vlaanderen past, haast synoniem is.
de schoonheid van een witte muur, een boekenkast en je hoofd. waarin chaos voor schepping zorgt, en het geschapene voor meer verwarring.
de vraag naar macht
Enkele van de duizenden eendjes, waarover ik het ooit had, besloten blijkbaar nooit aan wal te gaan. Zij lieten zich naar Ijsland stromen, en bezochten het wrak van de Titanic.
Ook een eendje wil wel eens wat cultuur opdoen.
Zullen ook zij in het collectieve geheugen huizen,
waar reeds koning Boudewijn (met een variant: collectief verdriet), Kate Winslet & Leonardo DiCaprio en tenslotte ook de zingende non vertoeven?
Het gaat niet om boekproductie, maar boekconsumptie.
Het boek moet tot zich genomen, geconsumeerd worden.
De consumatie van het gedacht.
Het idee voort te leven dankzij woorden.
De roem die trekt aan alle draadjes.
Ik wil niet weten waarom.
Ik wil weten wie.
En daarom dupliceer ik mezelf, en moet ik tegelijk verloochening in acht nemen.
Om een gevaar voor identificatie, om deelwording aan het geheel te voorkomen.
Ik zoek nog naar een oplossing.
Iemand een antwoord?
Ik wil ik wil ik wil ik.
Ondanks schoolwerk, met name het zoeken naar een verwezenlijking van de nationale identiteit
in de Zweedse literatuur die vervat zit in een ideehistorische canon, geniet ik er toch van
in een bibliotheek te zitten, omringd door Zweedse boeken, kijkend naar het Zweedse (universiteits/natuur)landschap. Hoe vaak kan ik nog Zweeds zeggen? Svensk.
Ik vermoed dat ik er kwistig mee strooi omdat gauw alles voorbij zal zijn.
Dan wordt alles gewoon weer Nederlands, wat ook mooi is, maar niet als dit.
Het feit omringd te zijn. Dat maakt het prachtig. Het feit dat het nu weer een curiosum wordt,
dat nooit nog hetzelfde, verbaasde gevoel zal opwekken, omdat men omringd is geweest.
Het omringde en het toevallige. Ze blijken trouwens ook volledig omkeerbaar te zijn.
Alhier werd namelijk die andere taal een curiosum. En een opwekking van nationalistische gevoelens.
Hoe komt het toch dat men denkt geen wortels te hebben, terwijl men in feite diep in de moederlijke modder vastzit?
De gedachte komt op dat ik vrijer wil zijn. In mijn eigen keuzes, want ik vermoed dat als ik zou willen, het sowieso mogelijk is. Maar men is niet sterk genoeg om in het diepe te springen, om de afgrond de baas te kunnen. En het is daarom dat ik verval in duizend clichés.
Het is genoeg geweest. Nu ga ik om koffie.
(Gisteren kreeg ik trouwens een prachtige brief in de bus.)
De stad is uit. Het licht is aan.
De nacht is hier en ik. Wij samen
op een feest dat niemand nog hoort
maar waar de muziek vreemde toeren draait.
Ik weet niet meer hoe het voelt. Of wat het is.
Ik weet alleen dat het komt wanneer het komen moet.