karen . hoezee
Gejuich alom.een laagje poedersuiker.
Aldus verdwenen ook deze mindere tijden
weer in de kelders van onze herinnering.
En zie, het sneeuwt alweer!
Vandaag is het prachtig in de stad.
Tenminste, dat denk ik, want buitenkomen
deed ik nog niet. Ik slaap lang en goed en loom
en uit en kijk nog even naar de zon
vanuit het vierkant, alvorens ik besluit
ook werkelijk uit het vierkant te stappen.
Mijn wintertenen spelen op. Perniosis, heet dat, al had ik er graag nog Hibernicus aan toegevoegd.
Steeds feller schijnt ze nu, de zon.
De meeuwen zijn wat in de war,
ik moet mijn ogen toeknijpen.
Het is te vroeg op de dag voor zo’n licht.
Eerst misschien een koffietje proberen.
En me wassen zou ook geen kwaad kunnen,
deze ‘natuurlijke mens’ zou alvast niet veel
reisgenoten op de trein kunnen bekoren,
vrees ik.
Pragmatiek? Inderdaad, zo gaat het vandag.
Wegens impulsiviteit en een slaapkop.
Later zullen woorden veel goedmaken.
Nu staan ze er en heb ik geen zin in meer.
Alas! Doch zo en niet anders is het.
Een goedendag.
Vuiligheid in mijn hoofd.
Ineens was het daar.
Ik weet niet hoe het ontstond,
noch hoe het weer weg te krijgen.
Lag het aan de snelheid?
Aan bepaalde woorden,
gedragingen, handelingen?
Of was het toch
een chemische reactie?
Feit is dat het weg moet.
En gauw een beetje,
als het even kan.
Er is geen reden toe, toch?
En als het blijft hangen,
zal de uitkomst niet mooi zijn.
Wat doen we ermee?
Erom lachen, erover schrijven,
en het vooral
verzwijgen.
Pfoeh.
Ik hoop maar dat alles verandert.
Of net niet.
Eitekaka. (eller?)
toi, mon amour, mon ami
Kijk eens aan, al sinds kerstmis
ligt dat hier op zijn gat.
Te luieriken.
En ik maar werken ondertussen.
(Nou ja, ik hou ook nogal van het woord slabakken,
zo blijkt.)
Schrijven, schrijven, schrijven,
niets prozaïsch of poëtisch,
doch wel droge wetenschappelijke
analyses van de woorden van één of andere man.
Af en toe is dat leuk.
Vaak vervloek ik mijn dieselmotor,
en wou ik dat ik al veel vroeger in een
helikopter was gesprongen.
Of beter nog, een straalvliegtuig.
En dan is er nog die liefde,
die natuurlijk ook veel tijd verdient,
die soms meer aan mijn studietijd
denkt dan ikzelf.
‘Mijn studentje.’
De steun is meer dan welkom,
in de vorm van etentjes, kadootjes,
gedichten en honderden muziektips.
Die me dan weer verder brengen dan me lief is,
en doen dromen over een trip doorheen La Douce France
‘op zoek naar de roots van Claude François’,
tot hij me mailt met de boodschap dat die
in Egypte het levenslicht zag.
We zijn op zoek naar een nieuwe Franse held.
god jul.
was ik een letter en jij ook
ik de a en jij de o
dan hadden we nooit woorden
maar er zou geen zin zijn zonder jou
jij, mijn hoofdletter, mijn alfabet
mijn kapitaal, mijn masterplan
jij de pen, ik de inkt
samen een debuutroman
de wereld is een pretpark
de attractie dat ben jij
mijn achtbaan richting sterren
ticket naar de zaligheid
als een vlot drijven we samen
jij het hout, ik het touw
waarmee we varen door het vuur
ik ‘t kompas en jij het stuur
je bent mijn zonnebril in sepia
mijn witte streep op ‘t zebrapad
mijn wanten in de winter
water in een schuimend bad
je sluit mijn ogen als ik huil
neemt mijn handen als ik dwaal
je stelpt mijn wonden als ik bloed
en kust mijn lippen als ik faal
ik de letter, jij de pen
en altijd als ik bij je ben
dan schrijf jij mij en ik lees jou
omdat ik letterlijk van je hou
[Le Vélo Vert]
——————-
En ik smolt. Of wat dacht je dan.
Ik weet alleen niet wat te zeggen,
wat te denken, wel weet ik
wat ik voel.
Een vrolijk kerstfeest aan allen.
parels voor de zwijnen
Koude voeten.
Gisteren zag ik papieren mensen
levend worden en dansen op
leuke muziek.
Al was dansen veel gezegd,
temeer omdat het ‘bakske vol’ was,
maar gezelligheid troef, dat zeker.
We verlengen de dag nog een beetje
en trachten ondertussen die
verdomde ijsvoeten te verwarmen.
De sneeuw blijft liggen en ik blijf overeind.
Ik blijf waar ik zit en moet daarom leren
op mezelf te rekenen. En gauw!
Eerst wacht er een immense hoop afwas.
Trieste zaak, doch wat gebeuren moet,
gebeuren zal.
Wat hoor ik daar, wat hoor ik daar?
De stoof roept.
Ik wil niet dat hij dit weet.
En toch wil ik dat hij zoveel weet.
Vandaag was het koud.
Ik dacht aan dat lijfje in die put,
en aan de kou die er in trok,
de kou die ik eruit wil halen.
Morgen wordt geen dag
als alle andere,
ondanks alles.
Vandaag zag ik
wat ik vaak las.
Toch kon ik niets zeggen.
Ik moest vaak lachen.
Een beetje met mezelf,
een beetje met hem.
We zijn tenslotte beide kluchtjes.
Ik weet niet langer
wat ik wil. Of wat ik kan.
Ik weet wel wat ik heb,
en wat ik nu al niet meer
kwijt wil.
Tot morgen, mijn lief.
Soms wil ik een beetje huilen,
en kijken wat hij met m’n tranen doet.
Soms wil ik dat hij me
verdoken kusjes geeft.
Soms wil ik gerinkel horen,
en zien dat hij het is.
Morgen zie ik hem, en is er tijd.
En ruimte. Dat denk ik wel.
[hoera voor zolderpicknicks]
Blijft de zwaluw lang,
wees dan voor de winter niet bang.
Laat ons hopen dat de zwaluw blijft.
op doortocht.
Ik ben niet langer tevreden.
Althans niet met het voorgaande.
Verwijderen zal/kan ik echter niet.
Het geeft weer hoe het is,
doch in niet al te esthetische vorm.
Verder deel ik mede.
Onverteerbaar is het nog niet.
Met het oog op wat volgt
mag ik wel alvast hopen, toch?
Trespassers William verzorgt de sound.

een banjo en wat wijn
Gek, hoe het leven soms loopt.
Toen trok ik nog een bloemetjesjurk aan,
met het oog op een prettige avond, met mooie muziek,
met een leuke jongen, maar niet meer dan dat.
En hoewel ik vaak verzonk in zijn ogen,
was ik ook gewoon mezelf met de muziek
en de omgeving, en moest niets dat er niet was.
Ik dacht soms aan de ander, terwijl ik in de één zijn ogen keek.
Ik dacht soms aan de een, en hoe het zou zijn
zijn lippen even te voelen.
Maar ik dacht verder niets. Ik genoot.
En toen kwam daar die mail,
die plots gedachten op gang bracht,
radartjes in werking zette,
en het hart sneller deed slaan.
Toen was daar het eerste etentje,
waarop ik af en toe de onrust voelde,
en af en toe het volledige gemak.
Ik wist niet hoe, ik wist niet wat,
en op het einde wist ik nog niets.
Steeds meer mails volgden.
Plots was daar de mogelijkheid van elke dag.
Elke dag een blik.
Ik zag het gebeuren,
en begreep het niet.
En toen, toen was daar die maandag.
We staarden naar water op een muur,
we keken een beetje in het donker,
we zeiden veel ‘ja’ en ook wel niets.
En toen besloot hij me dan toch
zijn lippen te laten voelen.
Ik voel veel. Nog steeds
ben ik soms wat onrustig.
Maar we wachten niet langer.
Het gebeurt hier en nu.
Tot de volgende Nacht der Poëzie.
(waarbij ik alweer enige steken zal voelen
want niet alleen zijn ze op korte tijd daar,
zijn gedichten,
ze zijn ook nog eens van een uitstekende
kwaliteit.)
het gaat niet om de toekomst
het gaat om het gevoel
en het moment
het momentane gevoel
dat om de hoek komt kijken
en toch is er meer
dat blijft hangen
meer dan verwacht in ieder geval
een surreëel weekend. een prachtige dag.
hij kwam, hij zag, hij bleef even, hij verdween weer.
maar tussen komen en gaan zat alles
wat er moest zijn.
Als ik bij mezelf naar binnen kijk dan zie ik alleen maar u.
Ik wrijf nog even over mijn rode/ruwe kin, en herinneringen komen alweer aangevlogen.
Ik doe er toch maar even een zalfje over, want de jongen met de banjo zou misschien
een raar oogje kunnen trekken.
Nu ga ik een beetje lezen over auteurs die dood zijn.
Daarna ga ik een beetje kijken en luisteren naar een zeemzoeterig jongetje
met een zoetgevooisd stemmetje.
Ik kwam er nog nooit. Met vlag en wimpel, zei hij. Zo zou hij aan de bar zitten.
Ik trek alvast m’n bloemetjes rond mij.