Mamma Medea
Geen muil van mens of dier was sinds de mond van hem zo voorbestemd om mij te bijten.
Zo lang ik in zijn armen lag -’t zij dag, ‘t zij nacht - verloor ik mijn verstand en dacht dat het heelal van plan was om mij zacht maar onherroepelijk uiteen te rijten.
Hij dwaalde door oorden vol verwarring,
door tijden die slechts tot vergetelheid dienden,
door doolhoven van teleurstelling.
Hij trok door een gele vlakte
waar de echo slechts gedachten herhaalde
en de angst slechts onheilspellende luchtspiegelingen opriep.
Daar was het dat hij haar vond.
Zij die geen woorden nodig had om te zijn.
De maan ging in haar schuil. De zon. De zee.
Zij was de ganse wereld in het klein.