Ze zaten samen op bed, het ontbijt nog ver weg, genietend, zuchtend zoals je alleen kan zuchten van gelukzaligheid op een zonnige, veelbelovende zondagmorgen.
Straks zou het leven weer doorgaan, zouden ze het bed uitstappen, de trap afhollen, om koffiekoeken gaan, koffie zetten, slurpen,met hun handen door elkaars haar woelen en het hoofd schudden.
En dan weer vervallen in zondagse ledigheid.
Maar nu zaten ze nog gewoon in bed, hun laatse slaap- en droomrestjes friemelden ze uit terwijl ze zich vergenoegd strekten utssen de warrige, witte, frisse lakens.
En toen zei hij het.
“Een mens kan zichzelf nooit leren kennen.”
“Nooit?”
“Nee, nooit.”
“…”
“Wat?”
“Nou.
Gewoon.
Jammer.”